Op 10 april 1964 arriveerde de Bothniaborg weer als nieuw in thuishaven Delfzijl.
Op 10 april 1964 arriveerde de Bothniaborg weer als nieuw in thuishaven Delfzijl.

Tramper Bothniaborg, ondergang en herbouw

Algemeen

DELFZIJL - ‘… Op 6 augustus 1960 werd het nieuwe motorschip Bothniaborg bij Scheepswerf Welgelegen C. Amels & Zoon te Makkum te water gelaten. Het schip werd gebouwd voor rekening van E. Wagenborg’s Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V. te Delfzijl, heeft een laadvermogen van ca. 2500 ton. Op de vrijgekomen helling werden de kielen gelegd voor twee gladdekcoasters van elk 500 ton, eveneens voor Wagenborg...’, aldus de schrijvende pers. 

door Henk Zuur

Het was, thans vijfenzestig jaar geleden, een memorabele dag voor de Delfzijlster rederij. Op deze bewuste zaterdag zou, voor het eerst in de Wagenborghistorie, een dubbeldoop plaatsvinden. In Lemmer stond de coaster Berkelborg klaar om kennis te maken met haar element en in Makkum zou het grotevaartschip Bothniaborg te water worden gelaten. Hoe anders dan verwacht zouden deze feestelijke gebeurtenissen verlopen.
De Berkelborg liep bij Scheepswerf Friesland N.V. met goed gevolg van stapel. Deze stapelloop echter had een ietwat ongewoon verloop… Toen het personeel van de werf een half uur vóór de stapelloop alles in gereedheid had gebracht, begaf men zich naar de kantine om een kopje koffie te drinken en het tijdstip van de stapelloop af te wachten. Het eigenzinnig schip had kennelijk geen geduld meer en een kwartier voor de vastgestelde tijd liep het door het breken van een kabel, zonder hulp, vlot van stapel. Niemand van het personeel was hierbij tegenwoordig. Zelfs de doop werd automatisch verricht. De fles champagne, die reeds aan de lijn klaar hing, slingerde tegen het schip en het geestrijk vocht doopte de Berkelborg. Alleen de woorden ‘Ik wens u een behouden vaart’ werden niet uitgesproken. Zelfs de vlaggen die de naam van het schip bedekten, werden weggenomen. Tot grote verbazing van het personeel is alles zonder ongelukken afgelopen.
Toen de Wagenborgdelegatie, waaronder doopster Hillie Wagenborg-Bootsman, na begroeting door de werfdirectie op de inmiddels lege helling arriveerde, kon men alleen maar constateren: ‘Hai ligt der ja aal in’. De doopmoeder kreeg van directeur (en oom) Lourens Vuursteen de belofte ‘de volgende is veur die, mien wicht!’’ Het gezelschap toog, na felicitaties over en weer, enkele kilometers noordwaarts waar de doop en stapelloop van de Bothniaborg plaats zou hebben.
Op donderdag 27 oktober 1960 vond vanuit thuishaven Delfzijl de proefvaart van de Bothniaborg plaats. Een groot aantal genodigden was er getuige van dat dit, naast de Balticborg, tweede grotevaartschip van Wagenborg in dienst werd gesteld. Naast de 155 geregistreerde kustvaarders had Delfzijl toen twee schepen van de grote vaart.
Evenals het zusterschip Balticborg was de voor de onbeperkte vaart gebouwde Bothniaborg een enkeldeksvrachtschip en uitermate geschikt voor het transport van hout- en bulkladingen. De lengte en breedte van dit fraai gelijnde schip bedroegen respectievelijk 80,87 meter en 12,40 meter.

‘De Bothniaborg heeft drie masten en twee paalmasten met in totaal acht laadbomen met een hijsvermogen van drie ton elk’, zo luidde toentertijd de berichtgeving en men vervolgde: ‘Hierbij staan acht elektrisch gedreven winches opgesteld. Met de 1260 pk Werkspoor hoofdmotor werd een snelheid gehaald van circa 12 mijl. Tevens staan in de machinekamer twee Industrie hulpmotoren opgesteld van respectivelijk 150 en 110 pk. Aan boord bevindt zich een elektrische installatie van 220 volt gelijkstroom en tevens nog een noodverlichting van 48 volt gelijkstroom. Het sturen geschiedt door een elektrisch-hydraulische stuurmachine met twee stuurkolommen.
Uiteraard is de Bothniaborg van de modernste navigatie-apparatuur voorzien zoals radar, echolood, richtingzoeker en radio-telefonie. De verblijven zijn uiterst comfortabel en modern ingericht. De gezagvoerder en de stuurlieden zijn ondergebracht in de brugopbouw, terwijl de werktuigkundigen en de civiele dienst en de matrozen hun verblijven in de kampanje hebben. Alle hutten zijn voorzien van centrale verwarming. Ook het kombuis is voorzien van zeer moderne installaties.
De Bothniaborg is thans het grootste Delfzijlster schip en een sieraad voor de rederij, die nu meer dan twintig ‘borg’-schepen met de bekende zwarte schoorsteen voorzien van twee witte banden in de vaart heeft, de boten van de passagiersschepen hierbij niet gerekend. De nieuwste aanwinst der vloot zal in de thuishaven Delfzijl zout laden voor Scandinavië…’
Op 20 oktober 1963, exact drie jaar nadat het in de vaart was genomen, sloeg het noodlot toe. Tijdens de reis met zout van Delfzijl naar Oulu in Noord-Finland kwam de Bothniaborg in het Kielerkanaal ‘s nachts tegen vieren in aanvaring met het Zweedse schip Fidra. Kapitein Sikke Bakker belde Wagenborgdirecteur Egbert L. Vuursteen: ,,We zijn aangevaren, niet best, zinken en proberen het schip aan de grond te zetten.” Dat gelukte. Vier dagen lang lag het met slechts de brug en masten boven water als baken in zee. Op 24 oktober werd het onfortuinlijk schip gelicht en voorlopig hersteld in Rendsburg. Voor definitieve reparatie werd de Bothniaborg naar Scheepswerf De Groot & Van Vliet in Slikkerveer gesleept.
De Nederlandse zeevloot kon, na vier maanden gedwongen non-activiteit, op 9 april 1964 de ‘ouwe getrouwe’ weer begroeten en hierdoor kwam, zoals toenmalig Wagenborgdirecteur Egbert L. Vuursteen dit formuleerde, de door kapitein Sikko Bakker en stuurman Willem Dinkelberg gevormde état major weer ‘helemaal in zijn oude doen...’
De Bothniaborg is eind 1980 van Wagenborg’s vlootlijst verdwenen en werd toen verkocht naar Piraeus. Na nog enkele keren van eigenaar te zijn veranderd, viel in de zomer van 1995 het doek en kwam het schip in Cartagena onder de slopershamer…

De schade van de aanvaring was groot. Slechts de brug en de masten staken boven het water uit.